Tervuren

 

Vertrek : Markt Tervuren / ook mogelijke aansluiting vanuit eindstation tram 44

Afstand: 5,5km

 

Je kan de wandeling vinden op de site van Toerisme Tervuren.

Alain Bruyndonckx, vrijwilliger van beweging.net Tervuren en jaarlijkse medewerker aan Open Monumentendag in zijn gemeente, heeft enkele stopplaatsen van deze wandeling van extra historisch-culturele uitleg voorzien. Hier kan je onderstaande uitleg downloaden om eventueel af te drukken om mee te nemen tijdens de wandeling.

 

 

  1. SINT-JAN-EVANGELISTKERK
    Markt / Kerkstraat


    Eens gevestigd in Tervuren, laat de Brabantse hertog Hendrik I (1190-1235) er in de nabijheid van zijn residentie een burchtkerk  bouwen. Al lijkt de Sint-Janskerk op het eerste gezicht een homogeen geheel te zijn, toch is zij in haar huidige vorm het resultaat van een samenvoeging van twee constructies uit verschillende periodes en van verschillende stijlen: romaans en gotisch.

    De romaanse burchtkerk met zijn gesloten en massief karakter is bij de uitbouw van een gotisch schip, transept en koor deels bewaard gebleven. Wat overblijft van de burchtkerk situeert zich aan de ingang. Aan de oostzijde in het verlengde van de oude kerk ontwikkelt zich een driebeukig schip met een éénbeukige dwarsbeuk op basilicaal model: een hoge middenbeuk met bovenlichten en twee lagere zijbeuken. 
    De gotische kruisribgewelven van het middenschip lopen boven de oude kerk door en zijn identiek als in het koor en de kruisbeuk. Het verleent –mede het gebruik van kalkzandstenen als bouwmateriaal- het geheel een stilistische eenvormigheid.

    Tot 1739 was het koor met het praalgraf van de Brabantse hertogen afgebakend met een koordoksaal. Het praalgraf zelf werd in 1572 door de geuzen verwoest en later op bevel van Albrecht en Isabella vervangen door een grafsteen voor de trappen van het hoofdaltaar. Bij de restauratie van de kerk in 1947-48 werd het doksaal achteraan in de kerk deels heropgebouwd. De bestelling door de kerkmeesters van een doksaal aan de gebroeders Mathijs en Andries Keldermans uit Leuven dateert van 1517. Zoals bij laat-gotische retabels het geval is, wordt de beperkte ruimte van de tien nissen met passietaferelen bevolkt met elkaars verdringende figuren met grote bewegelijkheid en uitdrukkingsvolle gelaatstrekken.

    Buiten tegen de noordelijke zijbeuk staan de verplaatste grafmonumenten van de zeven Congolezen die in 1897 overleden, nadat ze een tijd in het Congolees dorp van de Koloniale Tentoonstelling hadden verbleven.


     

  2. SINT-HUBERTUSKAPEL
    Aan de oostelijke grens van het Zoniënwoud in Tervuren lag een hertogelijke burcht die tot het overlijden van zijn laatste bewoner in 1780 zou blijven functioneren. Twee jaar na de dood van Karel van Lorreinen, landvoogd van de Oostenrijkse Nederlanden, gaf zijn neef, keizer Jozef II, bevel tot sloping. Ondanks de gedecreteerde sloping van kasteel en aanhorigheden bleef de Sint-Hubertuskapel gespaard. Het is hier dat traditiegetrouw de jaarlijkse Sint-Hubertusviering plaats heeft op de laatste zondag van oktober.

    Tussen 1616 en 1617 werd in opdracht van de aartshertogen Albrecht en Isabella op de binnenkoer van de hertogelijke burcht een nieuwe kapel opgetrokken. In het kader van de Contrareformatie en het daarmee gepaardgaande godsdienstig reveil kreeg de cultus van Sint-Hubertus een nieuwe impuls. De opdracht werd toevertrouwd aan hofbouwmeester Wenceslas Coeberger (ca. 1560-1634), bekend als ontwerper van de basiliek van Scherpenheuvel. Wenzel Cobergher die van 1579 tot 1601 hoofdzakelijk in Napels en Rome vertoefde, bestudeerde er als uomo universale de klassieke oudheid, de renaissance en de opkomende barok. Met zijn ontwerpen in opdracht van de katholieke vorsten Albrecht en Isabella zal hij de Romeinse barok introduceren in de Zuidelijke Nederlanden. 
    In haar sobere elegantie vormt de Sint-Hubertuskapel met haar contrasterend gebruik van rode baksteen en witte natuursteen, met haar zwierige volutegevel en veelhoekige dakruiter een mooi voorbeeld van vroegbarok, een overgangsstijl tussen renaissance en volbarok.


     

  3. HET HOEFIJZER
    In 1744 werd Karel van Lorreinen, schoonbroer van keizerin Maria-Theresia, aangesteld als gouverneur-generaal van de Oostenrijkse Nederlanden. Hij zal op het domein van Tervuren enorme bouwactiviteiten ontwikkelen.
    Aansluitend op het intussen  verdwenen kasteel werd rond 1750 gestart met de bouw van een indrukwekkend stallen- en bediendencomplex, tevens opgevat als monumentale toegang tot het kasteel. Het ontwerp is van de hand van hofarchitecten Jean-André Anneessens (1687-1754) en Jean Faulte (1726-1766).

    Het complex heeft de vorm van een hoefijzer met twee symmetrische en parallellopende vleugels die een ruime esplanade vormen. De vleugeluiteinden worden door hoekpaviljoenen geaccentueerd. De vier hoekpaviljoenen boden vroeger huisvesting aan de hofdignitarissen. De parallellopende vleugels met (intussen opgevulde) rondboogopeningen dienden als koetshuis. De geïncuveerde volumes met mansardedak, waren de paardenstallen. De sobere bediendevleugels met lage bovenverdieping telden in totaal 24 kamers met stookplaats, keuken, provisiekamer, waskamer en kelder.
    De naastgelegen orangerie dateert uit dezelfde tijd en is eveneens in neo-classicistische stijl.


     

  4. ZEVENSTER
    Naast de ontwikkeling van enorme bouwactiviteiten in het hertogelijk domein van Tervuren heeft Karel van Lorreinen, landvoogd van de Oostenrijkse Nederlanden in de 18de eeuw, de Warande als parkgebied grondig aangepakt. Sporen ervan vinden we her en der, al is er veel uitgewist.
    Conform de heersende esthetische normen werden enkele bestaande dreven rechtgetrokken. Waar vroeger het bosgedeelte ten behoeve van de bosbouw functioneel ingedeeld was in elf percelen of houwen, werd het in stervorm heraangelegd. Op het midden van de rotonde waar acht wegen uitkomen, liggen nu de zwerfkeien die in 1883 in Duisburg werden opgegraven. In opdracht van Leopold II werden ze naar deze plek gebracht. 

     

  5. HET SPAANS HUIS
    De Voerbeek die in het Kapucijnenbos in Tervuren ontspringt, graaft in de plateaus van Brabant een diepe vallei tot Leuven waar ze in de Dijle vloeit. Van oudsher werd het water van de Voer gebruikt als drijfkracht voor molens. Ongeveer twaalf molens waren op de 16 kilometer lange Voer in werking. Molens waren voor de landelijke economie onontbeerlijk en bleken snel een rendabele belegging te zijn met een vaste opbrengst.
    De eerste vermelding van deze (Gordaal-) molen duikt op in een document van 1293. Hij fungeerde als hertogelijke banmolen voor Tervuren en Duisburg. In het middeleeuwse rechtsstelsel behoorde de wind en het water toe aan de eigenaar van een leen, in casu de hertog van Brabant. De ingezetenen van het leen waren verplicht hun koren in de molen van de heer te laten malen. De molen bleef in werking tot hij op het einde van de 18de eeuw zijn functie verloor.

    Woonhuis en molenhuis waren aanvankelijk in vakwerkbouw opgetrokken, maar werden stelselmatig versteend. Ondanks allerhande ruimtelijke herschikkingen bleef het concept van een dubbelhuis, molenhuis en woonhuis, overeind. Twee bouwvolumes van ongelijke hoogte en breedte zijn opgetrokken in een combinatie van bak- en zandsteen onder aaneengesloten zadeldaken. Aan de waterkant treft men een dubbele trapgevel terwijl de zuidkant een trap- en tuitgevel met muurvlechtingen heeft.

     

  6. KONINKLIJK MUSEUM VOOR MIDDEN-AFRIKA
    Op 3 december 1902 ondertekende Leopold II het decreet voor een nieuw op te richten museum op kosten van de Onafhankelijke Congostaat. De koning, die een voorliefde had voor grootse monumentale gebouwen, engageerde de Franse architect Charles Girault (1851-1932), ontwerper van Le Petit Palais op de Exposition Universelle van 1900 te Parijs. In 1904 werden de bouwwerkzaamheden aangevat en eind 1909 was het nieuwe museum volledig klaar.

    Het museum is uitgebouwd als een waardige cultuurtempel. Girault opteerde voor een luisterrijke paleisstijl waarbij het architectonisch concept verwijst naar modellen van de grote Franse architectuur uit de 17de en 18de eeuw. Imponerende trappartijen leiden de bezoekers naar een rotonde die als onthaal en circulatieschijf fungeert. De prestigieuze rotonde is bekroond met een 28 m hoge koepel met dubbele schaal. De binnenkoepel is versierd met guirlandes en met monogrammen van Leopold II in stucco. De marmeren aankleding van wanden en vloeren volgens een geometrisch patroon is geïnspireerd op het van Rome. De tentoonstellingsruimtes bevinden zich rond een rechthoekige binnentuin waardoor een overzichtelijke opstelling van de collectie en een vlotte circulatie mogelijk zijn

    Naast variaties op architecturale elementen uit de klassieke oudheid vertoont de architectuur van het Koninklijk een overheersend gebruik van elementen uit de Lodewijk XVI- stijl: de eenvoud in lijnvoering, de symmetrie en de sobere en verzorgde uitvoering van de decoratie. De decoratieve elementen, die niet overdadig zijn, doorbreken het nuchtere van deze goed uitgebalanceerde architectuur.
     

  7. HET KOLONIËNPALEIS
    Het Koloniënpaleis is een relict van de Koloniale Tentoonstelling die in Tervuren gehouden werd als volwaardig onderdeel van de Internationale Tentoonstelling  van Brussel, die in 1897 plaatsvond. Met dit initiatief wou Leopold II enerzijds de gevoerde inspanningen ten overstaan van zijn Onafhankelijke Congostaat bij het Belgische publiek populariseren. Anderzijds wou hij Congolese exportproducten als ivoor, hout, koffie, rubber, ... promoten.

    Het Koloniënpaleis is een realisatie van architect Ernest Acker (1852-1912) naar het voorontwerp van de Franse architect Albert-Philippe Aldrophe (1834-1895). Het ontwerp voorzag een hoofdpaviljoen met twee haakse tentoonstellingshallen in glas en metaal. Centraal in het 68 m brede hoofdpaviljoen bevond zich een restaurant met op de verdieping een suite voor de vorst. Het hoofdpaviljoen van het Koloniënpaleis is in Louis XVI-stijl. Deze neoclassicistische stijl waaide in het midden van de 18de eeuw over vanuit Frankrijk naar de rest van het continent

    Na de Koloniale Tentoonstelling deed het Koloniënpaleis een tijdlang dienst als Congomuseum in afwachting van de bouw van het huidige AfricaMusem verderop. De tentoonstellingshallen werden in de jaren ‘50 van de vorige eeuw omgevormd tot twee banale kantoorvleugels ten behoeve van enkele wetenschappelijke afdelingen van het museum.

    De tuin achter het Koloniënpaleis moest naadloos inspelen op de architectuur. De Franse landschapsarchitect Elie Lainé (1863-ca.1930), ontwierp een tuin naar het model van de Franse tuinen. Franse tuinen waren bedoeld om de rebelse en wanordelijke natuur aan de wetten van de menselijke geest te onderwerpen. De tuinen moesten aan strikte regels van geometrie, ordening en maat voldoen.

 


ARCHITECTUURWANDELING IN DE  COTTAGEWIJK WAAR NATUUR PROMINENT AANWEZIG IS

 

De cottagewandeling bestaat uit een vast aanbod van de dienst Toerisme Tervuren. Je kan het plan van de wandeling vinden op de website van de dienst Toerisme

Omwille van het feit dat het plannetje moeilijk te volgen is voor wie niet met de streek bekend is, heeft Alain Bruyndonckx (vrijwilliger beweging.net Tervuren en jaarlijkse medewerker aan Open Monumentendag) de wandeling ook beschreven, met bijzondere aandacht voor al het architecturaal erfgoed dat je onderweg passeert. Hier kan je onderstaande uitleg downloaden om eventueel af te drukken om mee te nemen tijdens de wandeling.

Het tracé van de wandeling loopt deels parallel met de Tervurenlaan. Al is de wandeling bedacht in functie van het ontdekken van waardevolle architectuur, toch blijft de natuur prominent aanwezig. Een wandeling waar natuur en cultuur elkaar ontmoeten.

Afstand: 5 km.

START :  EINDSTATION TRAM 44, TEGENOVER HET AFRICAMUSEUM
 

Hoek Leuvensesteenweg en Elisabethlaan

Inleiding

 

Gelijktijdig met de Wereldtentoonstelling van 1897 in Brussel aan het Jubelpark had in Tervuren de Koloniale Tentoonstelling plaats. Om de twee sites met elkaar te verbinden werd zowel de Tervurenlaan als een tramlijn aangelegd. Zo konden de vele bezoekers uit Brussel met de tram naar Congo. Van toen af ging Tervuren als oud-hertogelijke residentie een enorme aantrekkingskracht uitoefenen op de Brusselse burgerij, want de charme van wonen in het groen sprak velen aan. Door de ongunstige woonomstandigheden ruilden zij die het konden de stad in voor een riant onderkomen of buitenverblijf op het nabijgelegen platte­land van Tervuren. Na de artistes-peintres die vanaf 1850 vanuit Brussel naar Tervuren afzakten om er in de vrije natuur te schetsen en te schilde­ren, was het vanaf het einde van de 19de eeuw de beurt aan de Brusselse burgerij om Tervuren op te zoeken.
 

De in cirkelvorm aangelegde eindhalte van de tram op de hoek van de Elisabethlaan en de Leuvensesteenweg bepaalt nog steeds het boch­tig tracé van het begin van de straat. Aanvankelijk deed een langwerpige open constructie in hout dienst als luifel. Het huidige eindstation met hetzelfde concept als de vorige volgt echter het tracé van de sporen en sluit qua vormgeving perfect aan bij de sfeer van villégiatuur-architectuur. Een monument om te koesteren.

Naar het einde van de 19de eeuw zal het gebied ten noordwesten van de Tervurenlaan na verkaveling geleidelijk bebouwd worden en uitgroeien tot een residentiële wijk.
De bebouwing bestaat uit alleenstaande woningen in de toen gangbare architectuurstijlen: landhuizen met neotraditionele of eclectische invloeden en villa’s met cottage inslag.

  • De landhuizen in neotraditionele bouwstijl inspireren zich op de traditionele (landelijke) architectuur. De landhuizen met eclectische invloeden verwerken daarentegen motieven afkomstig van de grote historische stijlen.
    Concreet vertaalt zich dat meestal in imponerende constructies met omgevende tuin. Het bakstenen metselwerk wordt gecombineerd met natuurstenen. Veel van die woonhuizen hebben een vierkante of rechthoekige plattegrond met een torenvormig uitgewerkte travee. Ze zijn onderkelderd, hebben twee bouwlagen op verhoogde begane grond onder een overkragende dak.

     

  • Villa’s in cottagestijl.
    In Engeland stond cottage aanvankelijk voor elk landhuis bewoond door de plaatselijke bevolking. De plaatselijke bouwtraditie -wars van de uiterlijke schijn van de neostijlen- vormde een belangrijke inspiratiebron voor de ontwikkeling van vrijstaande huizen. Zo werd in Engeland de landelijke bouwwijze een voedingsbodem voor de moderne woonhuis-architectuur. Aldaar ontstonden in de tweede helft van de 19de eeuw de eerste woonhuizen in z.g. cottagestijl.

Bij ons ging het bebouwen van de landelijke gebieden rondom de steden gepaard met de introductie van de cottagestijl. Het strenge kader van de neostijlen en de eclectische bouwkunst ruimde plaats voor een bevallige, kleurrijke architectuur. Het kopiëren van de klassieke stijlen en de grootschaligheid werden vervangen door een meer kleinschalige en intieme vormgeving en door een aantrekkelijke ambachtelijke architectuur. De woning moest niet meer in eerste instantie uiterlijk vertoon aangeven, maar de functie vervullen van het ideale thuis in relatie met de omgevende natuur.

Verscholen achter hoge hagen en fraai ingeplant in de natuur laat de cottage zich herkennen aan het bouwvolume met vele in- en uitsprongen. Erkers, loggia’s, balkons, torentjes, overkragende dakpartijen doen een onregelmatig en vaak ingewikkeld volume en profiel ontstaan.. Kenmerkend voor cottage is ook het opeenvolgend gebruik van drie materialen –baksteen en of natuursteen, crépi en vakwerk- waardoor de gevel in horizontale velden verdeeld wordt. Vakwerk is veelal te vinden in de puntgevel en onder de kroonlijst.
 

Loop de Elisabethlaan op en neem na 50m de bosweg aan je linkerkant. Wandel het bosje door tot het kruispunt Oppemstraat en Hertogenweg.
 

HERTOGENWEG

  • N°1 : landhuis met torenuitbouw en met lusthof: neo-traditionele stijl / 1900

  • N° 6 : modernistische woning / 1935
    Woning ontworpen door Albert Van huffel, architect van de Basiliek van Koekelberg. Deze langgerekt strak en gestroomlijnd bakstenen woning met plat dak is een voorbeeld van het nieuwe bouwen dat mogelijk beïnvloed is door La Nouvelle Maison uit 1928 van Henry van de Velde aan de Albertlaan

  • N°7 : monumentale woning met eclectisch invloeden / 1907

  • N°8 : Een schoolvoorbeeld van cottage met alle mogelijke denkbare cottage-ingrediënten / 1909
    Het voormalige koetshuis, duivenhok en de stallen werden in 1973 ingericht als studie- en verblijfsruimte.

 

 

Net voorbij n° 8 neem links de voetweg en wandel tussen de tuinen tot je op de Tervurenlaan-bis uitkomt. Neem rechts tot de Vrijwilligerslaan

 

 

TERVURENLAAN-BIS

N°9 / 11: Gekoppelde villa’suit het interbellum / 1932 .
Een modernistische taal werd hier gecombineerd met typische cottage-ingrediënten zoals expressief dakvolume, erkers en loggia’s, vakwerk,…

 

Wandel rechts de Vrijwilligerslaan in
 

VRIJWILLIGERSLAAN

  • N°3 : Een schoolvoorbeeld van een cottage in artdeco / 1928 / arch. Arthur Manne.
    Artdeco -met zijn tendens tot geometriseren en stileren- laat zich het best uittekenen in geometrische vormen zowel voor het bepalen van het bouwvolume als voor de decoratie. Het gevelschema werd geometrisch: geknikte gevelvormen, vensters en deuren met afgeschuinde bovenhoeken of in ruit- en trapeziumvorm,... Het decoratief repertorium bestaat uit vormen als rechthoeken, driehoeken, ruiten, cirkels, spiralen, zigzaglijnen... voor het verlevendigen van de gevelvlakken, voor de bovenlichten of in het ijzerwerk voor tralies en borstweringen. Het afleveren van een esthetisch product was een belangrijke drijfveer.

     

De Vrijwilligerslaan geeft uit op de Albertlaan. Ga eerst naar links om er twee interessante woningen te bewonderen, vooraleer de Albertlaan rechts te bewandelen.
 

ALBERTLAAN


De Albertlaan werd in 1915 aangelegd op het tracé van de oude spoorwegbedding die in de jaren tachtig van de 19de eeuw aangelegd werd tussen Brussel-Leopoldswijk en Tervuren. Voor de Koloniale Tentoonstelling van 1897 werd het tracé wat ingekort met een eindstation recht tegenover met huidige AfricaMuseum.
 

  • N°1 : La Nouvelle Maison.
    In 1928 realiseerde Henry van de Velde hier zijn vierde eigen woning.
    La Nouvelle Maison is geen spectaculaire architectuur, maar serene schoonheid. Van de Velde was er van overtuigd dat de architectuur het niet moest hebben van de onverwachte grillen van de fantasie. Een effectvolle en Disney-achtige architectuur zou hij radicaal afwijzen.
    Naar het voorbeeld van de Nederlandse architectuur hanteert Van de Velde met uiterst veel zorg de traditi­onele baksteenarchitectuur. De plasticiteit van de kubische volumes met afgeronde hoeken, de overheersende horizontale wer­king, de geprononceerde kroonlijst en het eveneens afgeronde voetstuk in beton, de mooi verzorgde baksteenarchitectuur met uitgediepte voegen bepalen in grote mate het karakter van deze archi­tectuur. De rustige en zuiver geritmeerde huid van de buitenkant omsluit een verrassend sober en functioneel in­terieur. Het is niet voor niets dat de woning na bijna 100 jaar nog perfect leefbaar is, bovendien beschermd is als monument en als waardevol erfgoed momenteel een grondige restauratiebeurt krijgt.
    La Nouvelle Maison is een doordachte, edele architectuur, van alle grootsprakerigheid en spektakel bevrijd. Het huis is onopvallend en in een tijd die vaak alleen nog op het schokkende reageert, gaat men er zelfs aan voorbij.
    Je kan via de weg het domein rondwandelen, zo zie je de woning van alle kanten.

     

  •  N°4 : Pluie des Roses
    In deze monumentale woning met zadeldak nam de Belgische Cobrakunstenaar Christian Dotremont in 1969 zijn intrek tot zijn overlijden in 1979. In dit huis ontving hij zijn artistieke vrienden waaronder Karel Appel, Pierre Alechinsky,… De zolderkamer fungeerde als zijn atelier.

     

  • N°5 : Little Castle, ook Villa Alice genoemd, was ooit eigendom van Vrijstaat Congo / 1903

  • N°15a : Le Tilleul / eclectische woning met variërend volumespel en markerende toren / 1897

       Verlaat hier tijdelijk de Albertlaan om de Hertogenweg en wat verder op links de Liskenslaan te bewandelen. Aan het einde bereik je         terug de Albertlaan die je naar rechts neemt.

  • N°21 : Villa Jadot  / een villa uit 1928 in artdeco, de interbellumstijl bij uistek.

  • Tegenover n°21 heb je het Heilig-Hartcollege met zijn typische Sint-Lukasgotiek uit 1907

       Vervolg de Albertlaan over het kruispunt met de Oppemstraat. Ter hoogte van huisnummer 78 sla je rechtsaf en wandel je op een             smal pad dat je terugvoert naar de Elisabethlaan met het eindstation van tram 44, recht tegenover het AfricaMuseum.
 

ELISABETHLAAN
 

  • N°10 : villa met neotraditionele en cottage-inslag / 1910

  • N°4 : Monumentaal landhuis met eclectische invloeden / 1902

 

Alain Bruyndonckx, 02.04.2021